Het ene stadion heeft voordelige variabelen voor slagmannen en de andere voor werpers. Dit kan komen doordat de hekken naar binnen of naar buiten staan, de ijlheid van de lucht er voor zorgt dat ballen verder komen of dat de wind vaak in een bepaalde richting gaat. Men spreekt van een hitters park als het stadion veel homeruns oplevert en van een pitchers park als de aanval nihil is.
Voorbeelden van hitters parks zijn: Coors Field (Colorado Rockies), Chase Field (Arizona Diamondbacks) en Wrigley Field (Chicago Cubs).
Voorbeelden van pitchers parks zijn: Petco Park (San Diego Padres), Progressive Field (Cleveland Indians) en Dodger Stadium (Los Angeles Dodgers).
Zie voor statistieken de Park Factors van ESPN.
Pingback: Offseason 2010: Seattle Mariners | Vijfde Honk